Posts tonen met het label De Sumerische religie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label De Sumerische religie. Alle posts tonen

dinsdag 5 februari 2008

-3000 HET VERHAAL VAN DE TUIN VAN EDEN (uit Mesopotamië)

Het verhaal van de tuin van Eden, het verdrijven der eerste mensen daaruit (en het verhaal van de toren van Babel) zijn eveneens afkomstig uit Mesopotamië. De naam ‘Eden’ is afkomstig uit het Soemerisch van het 3de en 2de millennium voor Christus. Deze ‘tuin’, een bijzonder mooi en vruchtbaar gebied, moet hebben gelegen waar zich nu Zuid-Irak bevindt. Het verdrijven uit deze droomtuin van de ongelukkige eerste mensen blijkt eveneens een veel ouder verhaal dan uit de bijbel naar voren komt.
*** Bron 13: Blz. 46***
Gesteld dat dit juist is, heb ik nog niet ontdekt van welke cultuur dit verhaal afkomstig is en hoe het verhaal juist gaat.

DE GENESIS (uit Mesopotamië)

Het in de bijbel vertelde scheppingsverhaal (Genesis) is afkomstig uit Mesopotomië, maar werd aangepast aan de Israëlitische traditie en het Israëlitische geloof. Archeologische vondsten van kleitaabletten uit antieke bibliotheken in Mesopotamië bevestigen deze gang van zaken waarvan men in vele culturen parallellen kan aantreffen.
*** Bron 13: Blz. 45***

Nota bene;
Tot nu toe heb ik nog niet kunnen uitvissen van welke cultuur of volk dit scheppingsverhaal afkomstig kan zijn. Ik ben ook nog opzoek naar dit oorspronkelijk verhaal.

-1100 DE TOREN VAN BABEL EN DE SPRAAKVERWARRING

Het verhaal van de toren van Babel is eveneens afkomstig uit Mesopotamië. De toren van Babel en de spraakverwarring, die moet verklaren waarom er zoveel verschilende talen bestaan. De toren van Babel bestond: het was een uit tichels opgebouwde reusachtige ziggoerat, een tempeltoren waaraan allerlei stammen die elkaar niet konden verstaan hebben meegewerkt, hetzij vrijwillig, hetzij gedwongen, wat in die tijden heel vaak voorkwam. Het is een verhaal uit omstreeks 1100 voor Christus, dat ten slotte Kanaän bereikte via karavanen, waar men de gewoonte had rond de avondlijke kampvuren verhalen te vertellen.
*** Bron 13: Blz. 46***

DE ZONDVLOED, HET EPOS VAN GILGAMESJ

De zonvloed - lees : regen catastrofen die ook nu nog overal op de wereld (in het klein) voorvallen- kan worden nagetrokken uit de kleitabletten, die vele versies van het verhaal geven. Een van de belangriijkste is het epos van Gilgamesj. In de loop van dit verhaal, dat veel ouder is dan de bijbel, ontmoet Gilgamesj de held Oetnapisjtim uit Babel. Deze vertelt hem dat hij zijn leven dankt aan Ea, de god van de wijsheid,, die hem in een droom - alweer een verhaal dat men overal ter wereld aantreft - waarschuwt voor de zondvloed. Oetnapisjtim moet een groot schip bouwen, een soort ark dus, die zijn redding zal zijn en die van de door hem uitveerkoren en meegenomen dieren. Bovendien schenkt de god hem onsterfelijkheid. De held volgt de goede raad op en redt zijn leven op de eindeloze wateren. Zo nu en dan zendt hij vogels uit, die naar droog land zoeken en dat uiteindelijk ook vinden. Het verhaal als zodanig is dus overduidelijk. In de oorzaak van de zondvloed schuilt echter een enorm verschil. De Mesopotamische zondvloed is het gevolg van de grillige daden der goden, de joodse die van mensen begane zonden.
Hoe kwamen de Israëlieen nu aan dit verhaal? Men neemt aan dat het Hebreeuwse epos over de held Noach eerst mondeling werd overgeleverd, aangepast (zoals zo vaak gebeurt) aan het eigen bestaan. Het verhaal zou echter geen import zijn geweest, maar reeds voorkomen in de heidense Kanaänitische literatuur, waarmee de Hebreeën kennismaakten. Men weet dat door de vondst in Megiddo van een scherf uit een Kanaänitische woonlaag ( 14de eeuw voor Christus), waarop een klein deel van het zeer lange Gilgamesj-epos staat. Een tweede bewijs is een in Oegarit gevonden scherf meet het zondvloedverhaal, afkomstig uit Noord-Kanaän.
*** Bron 13: Blz. 45***
Hoe gaat het hele verhaal van Gilgamesj?
I
Er was eens een jonge koning van Oeroek en zijn naam was Gilgamesj. Hij was meer god dan mens. De omvang van zijn borstkas was negen spannen, en hij had de kracht om leeuwen tegen zich dood te drukken, stiern neer te werpen en te worgen, grote bomen uit de grond te rukken. Mensen en goden bewonderden hem. Toch was hij niet gelukkig. Hoe kwam dat? Hij wist het niet en niemand wist het. Hij was moeilijk voor zichzelf en lastig voor alle wezens. Nooit kon hij rust vinden. Altijd moest hij op iets anders zinnen.
Voor godin Esjtar had hij in Oeroek een prachtige tempel gebouwd. Deze heette het ‘Eanna’ of ‘schathuis’. Isjtar woonde in dezetempel. Zij zou wel graaf een grote plaats hebben ingenomen in het hart van Gilgamesj. Maar hij kkek niet naar haar om. Ook ver&achtte hij haar geboden.
Sjamasj, de zonnegod, was zijn vrien. Maar deze kon evenmin verhinderen dat Gilgamesj de toorn van de andere goden opwekte. Hij gaf hem vaak raad en stond hem bij met zijn kennis en wijsheid. Toch lukte het zelfs hem niet, Gilgamesj tot rust te brengen.
Eindelijk kwamen de goden in de hemel bijeen. Ze bespraken samen het leven van Gilgamesj.
“We moeten iets doen,” zeiden ze, “het loopt nooit goed af.”
Ten laatste kwam er een op een idee.
“Gilgamesj,” meende hij, “moet een tegensander krijgen die tegelijk zijn vriend kan worden. Iemand moet hem bestrijden en ook weer als het nodig is bijstaan. Het zal moeilijk zij, de geschikte te vinden. Hij moet een krachtmens zijn met een zuivere aard, die evenwel toch in Oeroek wil leven. Hoe zullen we het klaarspelen om ezulk een type op de kop te tikken?”
Isjtar, die in de vergaderin van de goden aanwezig was, stond op en sprak: “Gij, heren goden, laat mij begaan. Ik zal zorgen, dat Gilgamesj een vriend en tegenstander krijgt die hem bedwingen zal. Weest niet bezorgd: het komt in orde.” - De heren goden knikten haar allen toe. Ze waren blij, dat Isjtar zoveel verantwoording op zich durfde nemen.
II
Isjtar begon een volkomen nieuwe mens te scheppen. Ze maakte hem uit klei en rots. Enorm was zijn borstkas; op zijn brede schouder zette zij het hoofd van een reus. Toch plaatste ze in hem een zachtzinnig en goed mensenhart. Alleen: ervaring van het mensenlijk leven had hij niet. Van een stad of van hoe koningen spreken en handelen wist hij niets. Een zuiver natuurmens was hij, geschikt om uit de beken te drinken en op de hellingen van het woeste gebergte te leven. Isjtar noemde dit wezen Enkidoe of Eabani.
Nadat ze hem had geschapen, bracht ze hem naar de verre weilanden van het gebergte en liet hem daar alleen tussen het hoornvee en de roofdieren. Enkidoe zag een leeuw op zich afkomen. De leeuw brulde en maakte zich gereed tot de sprong. Enkidoe begreep, dat de leeuw niets goeds in de zin had. Hij liet hem springen, ving hem in de lucht op, zwaaide hem rond, drukte zijnklauwen tegen elkaar en perst hem bijna de adem uit. Daarop vroeg hij de leeuw, grommend in diens eigen taal:
“Wil je me gehoorzamen? Wil je mijn meetgezel worden? Ja of nee?”
De leeuw had geen zin geworgd te worden en antwoordde, dat hij Enkidoes trouwe metgezel zou zijn. Zo ging het ook met een wilde stier. Deze was van plan Enkidoe op de horens te nemen. De reus-man liet hem naderbij komen, pakte de horens beet en sligerde de stier hoog door de lucht. Daarna ving hij hem op, zette hem overeind door hem bij de staart vast te houden, zodat de stier alleen met zijn voorpaten de grond raakte, legde hem plat neer en drukte zich op hem.
“Wil je mij volgen en doen wat ik zeg?” vroeg hij hem in de taal van de wilde stieren. Het verschrikte beest was nu zo mak als een hond. Het beloofde Enkidoe, hem altijd trouw te zullen zijn.
Na enige tijd zwierven de hinden als vriendinnen mee meet Enkidoe, waarheen hij ook ging. Enkidoe leefde samen met de dieren. Hij dronk uit de rivier op de plaats waar zij hun dorst lesten. Hij woonde in een berenhol en was bevriend met de eigenaar daarvan. Alle dieren, wilde zowel als tamme, beschouden hem als hun helper.
III
Toen geruime tijd verlopen was, vonden de goden het tijd, Enkidoe bij Gilgamesj te brengen. Er was echter niemand, die dit kon doen. Wéér sprak Isjtar:
“Heren goden, laar ook dat aan mij over. Ik zal zorgen, dat dit uitstekend in orde komt.” - En zij verzon een list; Isjtar was slim genoeg; eigenlijk had ze deze list al tevoren klaar.
Door Isjtars toedoen kwam een eenzame jager in het wilde bergland; hij begon daar vangkuilen te graven en strikken te zetten om dieren van allerlei zoort buit te maken. Hij wist niets van de bewoners van de streek en dacht: het is hier zeer wildrijk. Ook zijn er grote kudden hoornvee. Ik zal hier heerlrijk aan mijn trekken komen.
Het duurde echter niet lang, of Enkidoe zwierf rond in de buurt van de vangkuil, die de jager als eerste gegraven had. Het was een kunstige kuil, goed verborgen fen diep. Enkidoe verzwikte bijna zijn enkel, toen hij erover struikelde. Dat beviel hem niet. Onmiddellijk greep hij grote hoeveelheden aarde en rots en begon de vangkuil te vernielen en dicht te gooien.
Even later vond hijook strikken en netten, die de jager had uitgezet. Enkidoe werd kwaad, dat iemand zijn wilde koninkrijk was binnengedrongen om zijn vriende, de dieren, te benadelen. Hij rukte de netten en strikken los enverscheurde ze. De jager had al zijn werk voor niets verricht. Deze laatste werd zo bedroefd dat hij wegging. Hij had Enkidoe in de verte bezig gezien en was bang voor hem geworden. Hij ging naar zijn vader en vertelde hem alles wat hem was overkomen.
“Het beste is deze geschiedenis aan de koning te verhalen,” raadde de vader van de jager. “Ga naar Oeroek en spreek erover met Gilgamesj. Hij zal weten, wat gedaan moet worden.” De jager volgde dit bevel onmiddellijk op.
Hij kwam in Oeroek en werd door Gilgamesj vriendelijk ontvangen. Vrijuit mocht hij zijn beklag doen.
“Grote koning,” sprak de jager tot Gilgamesj, “er is een wildemanin de bergen die mijn vangkuil heeft dichtgegooid en mijn netten verscheurd. Wat moet ik doen? Wat moet er gebeuren?” - Gilgamesj dacht na. Toen antwoordde hij: “Als het een verschrikkelijke wildeman is, zou ik hem wel willen zien. Neem een mooie en verstandige vrouw met u, een vrouw die vlot spreekt en wijsheid kent. En ga naar de wildeman toe. Laaat hem zien, wat die vrouw kan. Zij zal hem temmen en een mens van hem maken. Breng hem daarna hier in Oeroek.” - De jager was bijzonder tevreden met die raad. Hij zocht een mooie vrouw. Zij was een priesteres van Isjtar en kwam uit haar tempel. Heel vlug begreep ze wat de jager van haar wilde.
“Goed,” sprak ze, “ik zal met u naar het woeste gebergte gaan.”
Ook Isjtar en de andere goden voelden grote voldoening. Gilgamesj zelf had om Enkidoe gevraagd. Het kon niet beter. Nu zouden Gilgamesj en Enkidoe met elkaar leren opschieten.
IV
De jager en de mooie vrouw kwamen samen in het uige bergland. Zij zorgden, dat Enkidoe niet dadelijk wist dat ze er waren. Stilletjes vervingen ze Enkidoe’s rauwe voedsel door zachte broden uit de stad. Heerlijke wijn in aarden kruiken zetten ze voor hem neer. Daarna verstopten ze zich. De rus kwam naderbij. Hij rook de zoete geur van de heerlijke broden. Hij snoof de damp op van de edele wijn. Eerst zette hij zich op een afstand neer en durfde er niet aankomen.Maar eindelijk greep hij naar het doede mensen voedsel.
Nadat Enkidoe had gegeten en gedronken, legde hij zich neer om te slapen, want de wijn had zijn hersens beneveld. Toen zei de vrouw tot de jager:
“Laat mij methem alleen.” En de jager deed dit.
De vrouw ging tot Enkidoe en ssprak met hem. Eerst was hij dodelijk verschrikt. Nooit had hij een mooier wezen gezien, noch zulke mooie kleren. Nooit had hij het geluid van zulk en muzikale stem gehoord.
De vrouw sprak tot Enkidoe:
“Ge moet die leeuwenhuid afdoen en u kleden in de mooie kleren van de mensen.” Zij vertelde hem van de stad en van alle plezier, dat er is in het leven van de mensen. Ze kreeg hoe langer hoe meer invloed op Enkidoe. Tenslotte deed hij precies wat zij wilde en at en dronk , kleedde zich en gedroeg zich als een mens.

Toen ze hem over Gilgamesj had gesproken zi hij, die nu de mensentaal kende: “Deze koning zou ik wel eens willen ontmoeten. Ik zal hem overwinnen, zoals ik de wilde panter inhet woud heb overwonnen.”
“Kom dan mee,” spraken de vrouw en de jager, laat onsnaar Oeroek gaan. Dan kunt ge Gilgamesj ontmoeten.”
V
Koning Gilgamesj had van Enkidoe gedroomd. In zijn dromen wist hij, dat een mens naar hem op weg was die zowel een groot vriend als een grote vijand van hem zou worden. Hij verheugde zich erin. Uit de verte zag hij de komst van Enkidoe met vreugde tegemoet.
Aan zijn moeder vroeg hij de uitlegging van zijn dromen en zij moedigde hem aan, Enkidoe welkom te heten.
“Hij zal de beste vriend voor u zijn, die de goden u kunnen sturen,” zei ze. Intussen had Enkidoe zeven tonnen bier leeg gedronken en vrienschap gesloten met de herders in de bergen. Hij was prachtig gekleed en zag er niet meer uit als de steppegod Doemoekan, maar als een koning der mensen. Helaas waren zijn hinden van hem weggevlucht, want Enkodoe was niet meer dezelfde. Hij verschrikte zijn wilde dieren door zijn mensengedachten. Hij was een mens geworden en zijn plaaats was niet meer in het gebergte.
Toen ze bij de stad kwamen: Enkidoe, de vrouw en de jager, bewonderde de eerste muren en de poort.
“Heeft Gilgamesj deze machtige grondslagen gelegd? Heeft hij deze hoge muur gebouwd en deze poort zo stevig gevoegd?” vroeg hij; nadat ze hem bevestigend geantwoord hadden zei hij nog eens:
“Hem wil ik graag ontmoeten. Hem wil ik overwinnen.”
Zo kwam hij in de stad. Daar wachtte Gilgamesj hem op. De twee waren even groot en geweldig om aan te zien. Het was geen wonder, dat de mensen Gilgamesj vreesden. Het was niet vreemd, dat de jager was weggelopenvoor de wildemanEnkidoe. Beiden waren reuzen, ontzaglijk van kracht en toorn. Zij stonden op het marktkplein tegenover elkaar en hadden slecht oog voor elkander.
“Ha,” sprak Enkidoe, “dus gij zijt die Koning Gilgamesj en ge waant dat ge het tegen mij zult kunnen opnemen?”
“Ha,” antwoordde Gilgamesj, “dus gij zijt die vervaarlijke wildeman? Gij zult dat moeten bewijzen; anders zal ik u als een overwonnene aan mijn voeten uitstrekken.”
Daarop begon het gevecht en het was zo ontzettend, dat twee wilde buffels, oerossen of de grootste stieren van de kudde, wanneer ze elkaar met de horens aanpakten, maar vliegen werden die zo’n beetje rondzoemden in de lucht, vergleken bij Gilgamesj en Enkidoe. De stad dreunde van hun gevecht; de muren sidderden; de tempel en het paleis stortten bijna in, zo geweldig was het smijten en beuekn dat zij dedeen.
Eindelijk dwong Enkidoe de koning, te knielen en Gilgamesj was overwonnen. Hij vatte dit echter niet kwaad op, want in zijn hart was grote bewondering voor Enkidoe’s kracht. Hij stak hem de hand toe en zij sloten vriendschap. In Enkidoe’s hart was eveneens vriendschap voor Gilgamesj ontkiemd.
Toen bracht de koning zijn nieuwe vrien bij alle plezier en genoegens van de stad. Hij liet hem heerlijk eten en drinken en kleedde hem in de prachtige kleren. Hij toonde hem al zijn schatten,liet hem ook zijn tuinen en parken zien. Dagenlang feestten zij en eindelijk was Enkidoe afgemat.
“Ik kan niet langer feestvieren, mijn vrien,” zei hij, “mijn lichaam is moe en ik ben uitgeput. Laat ons rusten en iets anders verzinnen.”
VI
In Gilgamesj kwam nu een denkbeeld op. Zijn fantasie gaf hem een nieuw idee in.

Hoe is het rebussen-schrift ontstaan volgens de Sumerische overlevering?

Uit dat alles ontsond het mysterie van het oudste schrift. De klei deed alles: gaf voedsel en huisvesting, de versiering en de kookpot, de hut en de gedachte. Daarom moest de klei ook sprekend worden. Hoe kon men de klei maken tot iets dat sprak?
Iwahi dacht hierover na. Hij liet alle priesters van de tempels samenkomen en kondigde hun aan:
“Wij moeten onze denkbeelden aan de klei geven. Dan kan de klei ze op haar beurt weer aan ons meedelen.”
“Hoe wilt ge dit volbrengen?” vroegen de priesters. Iwahi antwoordde:
“Door kleine figuren.” En hij tekende in de klei een vaas. Het wa niets dan een lijn, een figuurtjr. Mar dit figuurtje gaf aan degene die het zag de gedachte: ‘vaas’.
“Ziet ge wel, dat de klei kan spreken,” vroeg hij, “wij, mensen, moeten maken dat de klei vele; vele dingen die wij denken kan zeggen.” Zo werd een schrift uitgevonden van figuurtjes. Het was het eerste ‘pictografische’ schrift. ‘Pictografie’ betekent: ‘schrijven door middel van plaatjes, prentjes’. Iwahi ging een stap verder. Hij zei:
“Nu ziet ge, dat het gesproken woord voor ‘vaas’ is verbonden met het prentje van een vaas. Wanneer we echter een samengesteld denkbeeld door de klei willen laten uitspreken, kan het gebeuren dat we dit prentje van een vaas ook nodig hebben voor een woord, waarin nog een ander prentje voorkomt, om het compleet te maken.”
Hij tekende twee prentjes in de klei. Het eerste was een koe; het tweede een ster.
“Wat zegt de klei ons nu? Vroeg hij. De priesters keken toe en zeiden:
“De klei zegt: ‘Koester’.”
“Juist,” antwoordde Iwahi, “zo begint de klei te spreken.”
Op die wijze werd het rebussen-schrift van de oude Sumeriërs uitgevonden.
*** Bron 14: blz 20 ***

Persoonlijke nota

In het scheppingsverhaal van de Sumeriërs valt het mij op dat de mensen heel positief bekeken worden. Ze worden niet gestraft. Ze worden beloond voor hun bijdrage in het bijleggen van een ruzie tussen goden.
Ook valt het mij op dat het water en het moeras een centrale rol spelen. Dit zijn ook twee elementen die van levensbelang zijn voor een agrarische gemeenschap. Moerasgrond is bijzonder vruchtbaar en er groeit niets zonder water. Ik kan me voorstellen dat in die tijd de delta van de Tigris en de Eufraat heel moerasig was en dus een overvloed aan levensmiddelen kon bieden aan een volk dat het woestijn leven kende.
Ik zou verwacht hebben om in het Sumierische pantheon de twee rivieren van het tweestromenland tegen te komen als belangrijke goden. In de delta van het tweestromenland zullen deze waarschijnlijk niet als twee verschillende stromen herkenbaar zijn geweest en al helemaal niet belangrijk of invloedrijk in het dagelijkse leven van de Sumieriër.
Mooi vind ik hoe alles verbonden is met elkaar en deel uit maakt van een geheel. Elke wezen, elke god blijkt in Ea te zijn en deel uit te maken van hetzelfde. Eigenlijk is de sprong van hieruit niet zo groot om naar die éne god te gaan die alles is en alles bepaalt.
Wat mij nog opvalt is het tweeledig princiepe dat in al het geschapene voorkomt. De goden vertegenwoordigen de belangrijkste polen uit het dagelijkse leven van Sumierië. Dit tweeledig princiepe kunnen we ook nog herkenen in de filosofie van Yin en Yang of dichter bij de leefwereld van de Sumieriers, de religie van Zarathoestra (de strijd tussen goed en kwaad)
De positie van de vrouw wordt nergens in het verhaal ondergeschikt gemaakt aan die van de man. Elk tweeledig princiepe wordt vertegenwoordigd door een mannelijke en een vrouwelijke godheid. Enkel Ea lijkt uitsluiten mannelijk, voor zover dit herkenbaar is. Maar de bron Moemoe lijkt dan weer eerder vrouwelijk al valt niet duidelijk op te maken of men hiermee een godheid dan wel een eeuwigdurend iets bedoelt.
Het beeld van de bron Moemoe roept ook herkeningspunten op met de alles scheppende grote godin uit de préhistorie en is misschien wel het restant hiervan uit de voorhistorie van de Sumieriers.
Als je heel het verhaal leest en in het bijzonder het stuk over het belang van het klei, dan is de kans reëel dat mensen dit gebied en dit volk als zeer bijzonder en gelukzalig gaan beschouwen en de plek als zeer bijzonder. Misschien wel als het paradijs, het hof van Eden?
Al bij al vind ik het wereldbeeld dat uit dit verhaal naar voor komt, hartverwarmend en optimistisch.

Krichrie

Hoe belangrijk was klei voor de Sumeriërs?

De klei was heel vruchtbaar. Zij was Môt, de Moeder, in het Egyptisch: Maut; De Sumeriêrs beschouwden haar als het begin van alle aardse dingen. Het was zo gemakkelijk, haar als ondergrond te nemen bij al wat ze dachten, bouwen en deden. Uit de klei kwam immers alles op? Het murmelen van het grondwater, dat zich een weg naar boven baande, gaf diezelfde zchte lettergreep waaruit alle goden geboren waren: Moemoe. Het was als het ware het eerste woord, de eerste gestamelde klank.
Maar op de één volgt de twee. Daarom waren de goden die uit de bron Moemoe voortkwamen, dubbel. En dubbel was het eerste tastbare ding. Hierdoor plaatsen de Sumeriërs bij voorkeur twee bomen, stenen of beelden voor hun deuren. * Voor de tweede keer: Zou het kunnen dat de twee losse pilaren die voor het heiligdom van de Tempel van Salomon stonden en die niets schraagden, eigenlijk ‘heidense’ wachters symboliseerden? * Zij bouwden hun kleitorens, dorpen en steden, tempels en hoeven zó, dat er steeds een mooi evenwicht van dubbelen heerste. Het oneven in zich vereende was de grote Onevene: het Leven zelf.
De schepping, het hele mensen bestaan waren uit klei opgerezen. Die was Ea’s aardse tegenbeeld. De klei was de nul, Ea-zelf de Een. Zo telden de Sumeriërs en bouwden zorgvuldig van de aanvang af een simpele levensbeschouwing op uit getallen.
Wat in de klei gepoot werd aan zaden kiemen, aan takken en stekken begon dadelijk uit te lopen en groeide uiterst snel. De palmen brachten reusachtige trossen dadels voort. De palm was de levensbom. Hij betekende Ea’s grote gift door klei en hitte samen. Van de palm ontvingen de Sumeriërs brood, wijn, azijn, honing en meel. Zijn vezel was een grondstof voor hun weefsels en vlechtwerk. De palmpitten waren brandstof voor hun metaalsmeden voedsel voor hun vee. Zij verbouwden rogge, die tot twee maal manshoogte opschoot en geweldige aren droeg. Zó rijk waren Ansjar en Kisjar; zó heerlijk de gaven van Anoe en Enlil! In het begin was het leven onbezorgd en vol van eenvoud. De hutten werden van rietbundels gemaakt en de klei die de wanden bedekte en waarin versieringen van kleispijkers aangebracht werden, droogde onmiddellijk door Sjamsj’ hitte. Matten en manden, potten en vazen namen de schoonhei aan, die voortkwam uit het geluk en de gemoedsrijkdom van de mensen. Leefden ze niet in de zuivere lucht van Ea zelf, dicht aan het klei-hart van de moeder?
*** Bron 14: blz 14/20 ***

Welk beeld hadden de Sumeriërs van zichzelf?

Zo werd Eridoe de stad, waar de eerste tempel en de bron der goden waren. Ze bleef daardoor eerwaardig en veelgeprezen. Ze had een groot voorrecht boven andere steden en eiste de eerbied op, die het oude en heilige toekomt. De Sumeriërs vergaten, dat zij uit een ander land waren gekomen. Eridoe was de stad van hun eigen oorsprong. Hier waren ze uit klei gemaakt door de lichtende Schepper: Ea. Want zijzèlf beschouwden zich als Ban en Banit, die de tempelhut voor Apsoe en Tiamat hadden gebouwd. Zijzelf hadden immers het moeras drooggelegd en de riviermonding met de zee verzoend?
*** Bron 14: blz 14/20 ***

Hoe stelden de Sumeriërs hun goden voor?

Door de sterke verbeelding van de Sumeriërs werden de goden met hun meest typische kenmerken op heel naïeve wijze zichtbaar gemaakt. Ze stelden hen voor als mensen. Vaak waren het gevleugelde mannen die hoge punthoeden droegen. Uit hun schouders kwamen takken, uit hun hoeden horens. Ze stonden op een heuvel van baksteen of kwamen te voorschijn tussen de psote ven een poort, die van riet was gevlochten. Aan hun voeten lagen of stonden kleine hertje en hinden, ganzen en eenden, draken, scorpioenen en slangen. Het hemelruim boveen hen was vol stralende zonnen, manen en sterren. De goden schenen in rijen ernstig met elkaar te overleggen. Zij behandelden blijkbaar de zaken van de schepping in gemoedelijke vergaderingen die gehele kunst verscheen in kleine vormen op steen en klei.
*** Bron 14: blz 14/20 ***

Was Isjtar een gevoelige godin?

Ook Isjtar was een godin met wie men moest oppassen. Zij bracht de liefde, de oorlog en de vruchtbaarheid. Gemakkelijk verstrikte ze de mensenzielenin haar netten. Veel offes en reukwerk had ze nodig om geëerd te worden en ze was gauw afgunstig. Maar zij makte dat er dichter geboren werden en in het mensen hart liederen ontstonden.
*** Bron 14: blz 14/20 ***

Hoe zagen de Sumieriërs het duistere rijk waar de doden naartoe gingen?

Nergal en Allat deelden vrijwillig het rijk der duisternis, waar de doden heengingen. Uit hun donker paleis steeg de straf op, die de boosheid achtervolgde. Daarom moesten ze bijzonder woren ontzien. De mensen ven Eridoe zeiden, dat deze goden vorstelijk, barmhartig en edelmoedig waren, maar onverbiddelijk jegens het kwaad. * Wat was voor de Sumieriërs het kwaad? *
*** Bron 14: blz 14/20 ***

Waren alle goden met elkaar verbonden in die éne godheid?

Ea en Isjtar, Nergal en allat en vele anderen paren traden uit de bron. Zo werden alle dingen verbondenmet hun goden. Het eerste paar was in elk paar en ieder paar was alle andere, maar hierten had geen schepsel enig bezwaar. De bron Moemoe immers stroomde voor eeuwig voort. Zij was de werking van de tijd en van de ruimte, het onuitputtelijke “Worden”. Zoals het licht overging in de grote watervlakten en deze op hun beurt de horizon werden en de hemel, zo verloren de gestalten van de goden zich in elkaar en alle tezamen in de éné godheid die de heiligheid van het leven was.
Daardoor bestond er voor de mensn van Eridoe grote volheid. De levensovervloed was zonder grenzen. Ze riepen Ea aan als de vader van alle dingen en hem zelf ook weer als het kind van die uit hem geboren waren. Hoeveel moest hij dus weten! Hij had de ervaring van alle goden in zich.
Hij was onzichtbaar maar tòch alom tegenwoordig. * Ook Jahwé wordt beschouwd als allomtegenwoordig * Als hij wilde, lieten Sjamasj en Sin hun licht door ham heen spelen; dan vertoonde hij zich in zijn kostbaarste gouden, zilveren of rode gewaden. Als Ansjer en Anoe was hij de hemel, als Kisjar en Enlil de aarde. Werd hij Nergal genoemd, dan was hij de heerser over het donkere verblijf van de dood en Allat sond hem daar ter zijde. Maar als Sjamsj en Sin , die ook Inanna was, verbreidde hij met onbegrensde edelmoedigheid het licht en de kennis in het heelal.
*** Bron 14: blz 14/20 ***

Wat was de Bron Moemoe?

Daarop begon de Bron Moemoe te vloeien. Dit was de overvloedige bron die alle goden voortbracht. Alle kinderen van Apsoe en Tiamat begonnen in paren te voorschijn te komen. Daar kwam eerst Lahmoe en met hem lahamoe. Zij waren nog vaag en moeilijk te beschrijven. Ze heriinerden de mens nog aan de oude toestand. Maar ze hadden toch een nieuwe goedaardigheid in hun karakter. Ze betekenden de tegenstrijdigheden die door de mens waren verzoen. Ban en Banit begroetten hen met diepe eerbied. Zij boden hun aan, hoeders van de empelhut te worden. Lahmoe en lahamoe hadden hier niets op tegen. Zij kregen woortaan paren beelden voor de deuren van alle tempels, van alle paleizen en van de hutten der mensen. Soms paren bomen of simpele stenen (die waren zeldzaam) en lahmoe en lahamoe woonden daarin. * Zou het kunnen dat de twee losse pilaren die voor het heiligdom van de Tempel van Salomon stonden en die niets schraagden, eigenlijk ‘heidense’ wachters symboliseerden? * Toen kwamen Ansjar en Kisjar uit de bron Moemoe te voorschijn. Zij waren ‘Ruimte van de Hemel’ en ‘Ruimte van de aarde’. Anjar was hoog, bol en lichend. Hij speelde graag met sterren en bliksems en koesterde de wolken als lammeren in zijn armen. Kisjar was laag, breed en schemerig. In haar gebeurden alle dingen, die tot het leven van menseen, dieren en planten behoorden. Zij was altijd bereid plaats te maken en zei gul:
“Er kan nog veel meer bij.” De zon bescheen haar graag en de maan gaf haar met vreugde een kleed van zilver. De goden maakten haar mooi als een bruid. Zij was vol vruchtbaarheid. Wanneer het koren hoog stond en een goede oogst beloofde, kekn goden en mensen naar Kisjar en zagen haar in haar goengouden jurk en met de aren die zij door het haar gevlochten had en eerden haar.
Toen verschenen Hemel en Aarde zelf.
Hun namen waren Anoe en Enlil. Terwijl Anjar en Kisjar de belofte geweest waren, brachten Anoe en Enlil de vervulling en de oogst. Zij beloonden de mens voor het mooie werk van de verzoening dat tot stand was gebracht door Ban en Banit; Zij gaven hun alle heerlijke , nuttige en tastbare dingen. De mand met gouden dadels, het huppelende buffelklaf, het blanke meel werden in overvloed aan de mens geschonken.
Hierna kwamen Sjamsj en Sin te voorschijn? Sjamasj wandelde op gouden sandalen door het luchtruim en Sin had zilveren kothurnen aan. Aij gaven licht. Ze brachten alle soorten licht aan de mensen en ook de kalender, om de lange en korte dagen en nachten van elkaar te onderscheiden.
*** Bron 14: blz 14/20 ***

Om welke reden en hoe is volgens de Sumieriërs de mens geschapen?

Eindelijk dacht hij:
“Ik zal de mens maken.” - Want in hem schemerde de beeltenis van de mens. * Had ook Jahwé de mens niet geschapen naar zijn eigen beeld? * Hij ging hiernaar te werk en met zijn handen vormde hij de mens uit klei. * Deed ook Jahwé dit niet in het scheppingsverhaal? * HijSchiep hem goed en mooi en maakte hem dubbel: Ban en Banit. Toen legde Ea in de mens de grote opdracht: “Gij zult de Oervader met de Oermoeder verzoenen. “ - De mens was eerst onbewust van deze opdracht. Als een droom lag zij toegevouwen in zijn ziel. Maar nadat hij Ea’s levensadem had ontvangen in zijn neusgaten, stond de mens van klei op en wandelde. Hij zag, dat hij een eigenbestaan had en bedwong het water en bekeek het moeras. Toen werd de grote opdracht in hem levend. Hij ging naar de scheidslijn tussen water en land en begon Apsoe en Tiamat aan te roepen.
Deze goden waren niet geneigd gauw te komen. Ban en Banit, man en vrouw, wisten niet wat te doen. Ban ging de kant uit van het water en Banit die van het moeras. Elk zag een berg en op elke berg troonde een oude vogel. De één was een griffioen en de ander een feniks en beide hadden ogen van edelstenen. Ban en Banit vielen op de grond. Zij bezwijmden van de gloed, die de vogels omgaf. Maar in hun droom werd tot hen gesspàroken, tot Ban hetzelfde als tot Banit: “ Ga en bouw een hut. Bouw hem langwerpig en maak twee deuren. Zet er twee tafels in en breng een scheiding aan tussen de twee helften. “
Zij deden aanstonds wat hun in de droom gezegd was. Aan elk einde van de hut plaatsten zij een smalle deur. Twee altaren zetten zij erin. Daarop legden ze brandend reukwerk; zuh versierden de hut met hun schoonste matten, met bloemen en een paar schotels van beschilderd aardewerk.
Hierop kregen Apsoe en Tiamat een sterk verlangen te onderzoeken, wat de twee eerste mensen voor hen hadden gedaan. Langzaam kwamen zij in beweging. Behoedzaam naderden ze, elk van hun kant. Zij veerheugden zich over de twee aparte ingangen. Toen ze binnen waren onderzochten ze alles en zie, het was goed. Ze bleven in die dubbele, heilige hut wonen. Na enige tijd verzoenden zij zich, want Banit had slechts een mat tussen hen gespannen. Ze konden elkaar horen en werden nieuwsgierig naar elkanders wezen. Toen spraken ze:
“Gezegend zijn Ban en Banit en hun nageslacht.”

Wat was er volgens de Sumieriërs altijd geweest

In het begin van de wereld leefden twee goden: Apsoe en Tiamat; zij symboliseerden als het ware de gediensitge rievier en het weerbarstige moeras. De stroom echte drong voordurend diep in het moerasland door en het moeras in de stroom. Zo had oneinigheid tussen Apsoe en Tiamt niet kunnen uitblijven. Onophoudelijk werd er mompelend getwist gehoord. Nooit kon de een het met de ander eens worden.
Dit maakt Ea verdrietig. Hij kon het niet langer aanhoren. Hij was hun zoon, de god van het water, het lich en de lucht. Hij was de schepper. Bij de goden kon de zoon de ouders geschapen hebben, want waar was het begin? Einde en begin grepen in elkander: alles bij de goden was tijdeloze eeuwigheid. Ea begon te overwegen, wat hij zou doen. Hij was nog nooit op aarde verschenen, maar had altijd bestaan.