Celsus was een platonist, die rond 182 enkele vertogen tegen het christendom schreef.
Volgens Celsus was de Jezus van de christenen een zwendelaar, geboren uit alledaags overspel van een Romeins soldaat.
Al hun geloofspunten hebben de christenen ontleend aan joden, Perzen, Egyptenaren en anderen.
Ze zijn bij- en goedgelovig, mythologiseren er maar op los en haten alle andere godsdiensten en voeren onderling bitterste twisten.
Het christelijk dogma van de opstanding wordt door Celsus met spot overladen; natuur zo min als wetenschap staan zoiets toe. Het enige positieve wat de christenen kunnen doen, willen zij hun fabeltjesgeloof redden, is zich conform verklaren met de Romeinse staat, inzonderheid met de instelling van de goddelijke keizermacht.
***bron 11: blz.46-47***
Posts tonen met het label De eerste Christenen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label De eerste Christenen. Alle posts tonen
dinsdag 5 februari 2008
Justinus uit Samaria
Wie was hij?
Justinus was als heiden geboren en platonisch gevomd. Omstreeks 163 stierf hij in Rome de marteldood.
Welke ideeën had hij?
Hij heeft het Grieks Logosbegrip blijvend in de godsdienstfilosofie opgenomen.
Wat betekende dit logos begrip?
***bron 11: blz. 44***
Justinus was als heiden geboren en platonisch gevomd. Omstreeks 163 stierf hij in Rome de marteldood.
Welke ideeën had hij?
Hij heeft het Grieks Logosbegrip blijvend in de godsdienstfilosofie opgenomen.
Wat betekende dit logos begrip?
***bron 11: blz. 44***
Paulus - (Saulus)
Hoe werd Saulus, Paulus?
Saulus was een jood met Romeins burgerrecht uit Tarsus in Cilicië en leerling van de beroemde Farizeïsche wetgeleerde Gemaliël, mettertijd werd hij een fanatiek jager op afvalligen en christenen. In die hoedanigheid neemt hij deel aan de steniging van Stefanus, een der eerste joodse christenen in Jeruzalem (Hand. 6-7). De weg zal begeleid worden door wondren en tekenen. Op weg naar Damascus, ‘blazende nog dreiging en moord tegen de descipelen van des Heren’, heeft hij het visioen van de Christus die hij tot dan toe voor een verworpeling gehouden heeft, en die zich aan hem openbaart als de opgestane, verheven aan de rechterzijde Gods (Hand. 9:1-9)-De ware Verlosser.
Waar stond hij voor?
De verschijning van Paulus’ geletterde en autoritaire persoonlijkheid in de primitieve christengemeenschap veranderde in sterke mate haar oorspronkelijke gedachtengangen. Was de geloofsverbreiding tot dan toe een zaak geweest binnen de diaspora, Paulus komt met de conceptie van een doorbraak naar de wereld daarbuiten, de Grieks-Romeinse en de oosterse. Hezt zou hem alleen gelukken als hij het messianisme van zijn bekeerde mede-joden, die met Christus de wet ‘vervuld ‘ achtten, kon overvleugelen door de idee van een wereldgodsdienst, een nieuwe wet die losgemaakt was van het jodendom. Er moet een hele scala van weifelingen en vooroordelen worden doorbroken, voor ‘Griek en Jood, besnijdenis en voorhuid, barbaar en Scyth, dienstknecht en vrije’ (Kol. 3:11) in Christus verenigd zijn.
Langs de andere kant giet Paulus het kille water van zijn conformisme: al wat leeft is onderworpen aan de machten; alle macht is uit God, en de bestaande machten zijn instellingen Gods. Wie ze weerstaat roept de straf op over eigen hoofd: de overheid draag het zwaaard niet tevergeeefs. Dit vloeide voort uit Paulus’ opvatting over de laatste dingen.
Ook Paulus geloofde dat het einde op til was (Rom. 16:20) maar hij verplaatste tegelijkertijd het Messiasrijk der duizendjarige gerechtigheid naar een oneindig hiernamaals: ‘Want wij weten, dat, zo ons aards huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen’ (2Kor. 5:1)
Paulus’ theologie draait om de nieuwwording van de mens die gaat leven ‘in Christus’- en deze Christus is niet in de eerste plaats de rondtrekkende prediker en exorcist van de evangeliën (Paulus’ onverschilligheid jegens de aardse periode van zijn Verlosser is opvallend), maar de godmens, de verrezene aan wiens mystiek lichaam alle gelovigen deel hebben, zodat Christus in hen werkt en denkt-de Heer aan het kruis, wiens dood en opstanding het diepzinnige mysterie van de scheppping vormen. Het is Paulus die, al wordt hij niet minder dan andere apostelen geconfronteerd met slaven, handwerkers en ander minsoortig volk, en al bekeerde hij mettertijd ook welgestelden en vrouwen uit de betere stand, de sociale prediking volstrekt overstemt door zijn verkondiging van een sacramenteel geloof: ‘Uit genade zijt gij zalig geworden.’ (Ef. 2:5).
Tegelijk is Paulus een stug zedenmeester van de jonge gemeenten, zoals bijvoorbeeld in het geval van de Korinthiërs die in de jaren vijftig van de eerste eeuw vrij wat ketters en losbandig geworden waren (Kor. 5).
Men kan in de epistelen onder de vele retouches de ontwikkelingsgeschiedenis aflezen van Paulus’ centrale dogma van de verlossingsleer en daarmee ook de strijd van de meningen in de gemeenten. Paulus’ christologie behelst een verbeterd messianisme.
De oude wet is door Christus’ komst vervallen; spijswetten en vooral het teken van de besnijdenis, die de eerste joodse christenen als bewijs van hun onverzwakt verbond met God handhaafden, verliezen hun zin: ‘Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht, noch voorhuid, maar geloof [...’ (Gal. 5:6). Dit was een verregaande ingreep in de zeden en opvattingen van de diaspora. De Paulininsche stroming wil duidelijk af van al wat ritueel en ceremonieel is-in dit geval het joodse- om de onbeperkte vereniging van mensen, klassen en nationaliteiten te bereiken ‘door één Geest tot één lichaam gedoopt’ (1Kor. 12:13). In die doop en mystieke eenheid met de Heer ligt de werkelijke vrijheid.
Slavernij en knechtschap als sociale euvelen worden niet bestreden; geen meester wordt aangespoord zijn slaven vrij te laten. Veeleer keert Paulus door een geraffineerde beeldspraak de pijn van de knechtschap om in een voorrecht: ‘Wie de Heer geroepen is, een slaaf zijnde, die is een vrijgelatene des Heren; desgelijks ook, wie vrij zijnde geroepen is, die is een slaaf van Christus.’ Waarop dan overigens de radicale uitspraak volgt: ‘Gij zijt duur gekocht; wordt geen dienstknechten der mensen’ (1Kor. 7:21-23).
Dat het drama van de laatste dingen zijn einde en bekroning vindt in een bovenaards gerechtigheid ontneemt de sociale boodschap van het wordende christendom veel van haar revolutionaire inhoud, en maakt er een geloofs- en gewetenszaak van.
Voor de juistheid van zijn stelling, dat alleen het geloof zalig maakt, ijvert Paulus met prediking enn brief, warschuwing en bedreiging tegen ‘valse apostelen’ en ‘ingekropen valse broeders’, om de gemeenten in de vorm te hameren die hij ter wille van de geloofsverbreiding voor de enig aanvaardbare houdt.
***bron11: blz. 31 -32 ***
Saulus was een jood met Romeins burgerrecht uit Tarsus in Cilicië en leerling van de beroemde Farizeïsche wetgeleerde Gemaliël, mettertijd werd hij een fanatiek jager op afvalligen en christenen. In die hoedanigheid neemt hij deel aan de steniging van Stefanus, een der eerste joodse christenen in Jeruzalem (Hand. 6-7). De weg zal begeleid worden door wondren en tekenen. Op weg naar Damascus, ‘blazende nog dreiging en moord tegen de descipelen van des Heren’, heeft hij het visioen van de Christus die hij tot dan toe voor een verworpeling gehouden heeft, en die zich aan hem openbaart als de opgestane, verheven aan de rechterzijde Gods (Hand. 9:1-9)-De ware Verlosser.
Waar stond hij voor?
De verschijning van Paulus’ geletterde en autoritaire persoonlijkheid in de primitieve christengemeenschap veranderde in sterke mate haar oorspronkelijke gedachtengangen. Was de geloofsverbreiding tot dan toe een zaak geweest binnen de diaspora, Paulus komt met de conceptie van een doorbraak naar de wereld daarbuiten, de Grieks-Romeinse en de oosterse. Hezt zou hem alleen gelukken als hij het messianisme van zijn bekeerde mede-joden, die met Christus de wet ‘vervuld ‘ achtten, kon overvleugelen door de idee van een wereldgodsdienst, een nieuwe wet die losgemaakt was van het jodendom. Er moet een hele scala van weifelingen en vooroordelen worden doorbroken, voor ‘Griek en Jood, besnijdenis en voorhuid, barbaar en Scyth, dienstknecht en vrije’ (Kol. 3:11) in Christus verenigd zijn.
Langs de andere kant giet Paulus het kille water van zijn conformisme: al wat leeft is onderworpen aan de machten; alle macht is uit God, en de bestaande machten zijn instellingen Gods. Wie ze weerstaat roept de straf op over eigen hoofd: de overheid draag het zwaaard niet tevergeeefs. Dit vloeide voort uit Paulus’ opvatting over de laatste dingen.
Ook Paulus geloofde dat het einde op til was (Rom. 16:20) maar hij verplaatste tegelijkertijd het Messiasrijk der duizendjarige gerechtigheid naar een oneindig hiernamaals: ‘Want wij weten, dat, zo ons aards huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen’ (2Kor. 5:1)
Paulus’ theologie draait om de nieuwwording van de mens die gaat leven ‘in Christus’- en deze Christus is niet in de eerste plaats de rondtrekkende prediker en exorcist van de evangeliën (Paulus’ onverschilligheid jegens de aardse periode van zijn Verlosser is opvallend), maar de godmens, de verrezene aan wiens mystiek lichaam alle gelovigen deel hebben, zodat Christus in hen werkt en denkt-de Heer aan het kruis, wiens dood en opstanding het diepzinnige mysterie van de scheppping vormen. Het is Paulus die, al wordt hij niet minder dan andere apostelen geconfronteerd met slaven, handwerkers en ander minsoortig volk, en al bekeerde hij mettertijd ook welgestelden en vrouwen uit de betere stand, de sociale prediking volstrekt overstemt door zijn verkondiging van een sacramenteel geloof: ‘Uit genade zijt gij zalig geworden.’ (Ef. 2:5).
Tegelijk is Paulus een stug zedenmeester van de jonge gemeenten, zoals bijvoorbeeld in het geval van de Korinthiërs die in de jaren vijftig van de eerste eeuw vrij wat ketters en losbandig geworden waren (Kor. 5).
Men kan in de epistelen onder de vele retouches de ontwikkelingsgeschiedenis aflezen van Paulus’ centrale dogma van de verlossingsleer en daarmee ook de strijd van de meningen in de gemeenten. Paulus’ christologie behelst een verbeterd messianisme.
De oude wet is door Christus’ komst vervallen; spijswetten en vooral het teken van de besnijdenis, die de eerste joodse christenen als bewijs van hun onverzwakt verbond met God handhaafden, verliezen hun zin: ‘Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht, noch voorhuid, maar geloof [...’ (Gal. 5:6). Dit was een verregaande ingreep in de zeden en opvattingen van de diaspora. De Paulininsche stroming wil duidelijk af van al wat ritueel en ceremonieel is-in dit geval het joodse- om de onbeperkte vereniging van mensen, klassen en nationaliteiten te bereiken ‘door één Geest tot één lichaam gedoopt’ (1Kor. 12:13). In die doop en mystieke eenheid met de Heer ligt de werkelijke vrijheid.
Slavernij en knechtschap als sociale euvelen worden niet bestreden; geen meester wordt aangespoord zijn slaven vrij te laten. Veeleer keert Paulus door een geraffineerde beeldspraak de pijn van de knechtschap om in een voorrecht: ‘Wie de Heer geroepen is, een slaaf zijnde, die is een vrijgelatene des Heren; desgelijks ook, wie vrij zijnde geroepen is, die is een slaaf van Christus.’ Waarop dan overigens de radicale uitspraak volgt: ‘Gij zijt duur gekocht; wordt geen dienstknechten der mensen’ (1Kor. 7:21-23).
Dat het drama van de laatste dingen zijn einde en bekroning vindt in een bovenaards gerechtigheid ontneemt de sociale boodschap van het wordende christendom veel van haar revolutionaire inhoud, en maakt er een geloofs- en gewetenszaak van.
Voor de juistheid van zijn stelling, dat alleen het geloof zalig maakt, ijvert Paulus met prediking enn brief, warschuwing en bedreiging tegen ‘valse apostelen’ en ‘ingekropen valse broeders’, om de gemeenten in de vorm te hameren die hij ter wille van de geloofsverbreiding voor de enig aanvaardbare houdt.
***bron11: blz. 31 -32 ***
Hoe het met hen is afgelopen?
In de tweede eeuw is er in feite niet veel meer over van de oudste Kerk. Er komen gestudeerden, filosofen, literatoren in de gemeente. Er komt daarmee wijsheid binnen uit niet-christelijke bronnen, en met de wijsheid de smart: behagen in spitsvondige dogmatiek, in gnostiek, occultisme, platonisme, waarmee men de eenvoudige christelijke leer wil vermooien en vermeerderen. Er treden sofistische opvattingen aan het licht nzake het huwelijk, de seksuele omgang en het vleselijk leven in het algemeen. Er ontstaat een christelijke letterkunde, uiteraard beheerst door godsdienstige fantasieën rond de Christusfiguur die de profeet uit Nazareth aanschouwelijk moeten maken voor de wereld van de heidenen. Dat vindt niet alleen plaats door hem te schilderen als ‘een van ons’, bezitloos, dakloos, zonder behoeften, tot lijken geeroepen, maar ook door hem te verheffen tot de mystieke abstracties van de Logosfilosofie. Elk milieu en elke sociale groep in het christendom kreeg om zo te zeggen een ‘eigen’ evangelie.
De priemitieve weldadigheid, het aandoenlijk overblijfsel uit de armoeperiode, moet het veld ruimen voor een diaconaat me bezitingen aan land, gebouwen en aardse goederen. Priester, leidsman van een goedgezegende gemeente te zijn , brengt stoffelijke, niet meer versmade voordelen mee. Het is op dit punt dat de schelmerij van vele indringeres en gelukszoekers onder de christenen plaatsvindt.
Boven de veelheid aan gemeenten uitstekend groeien Alexandrië, Antiochië en Rome uit tot uitverkoren christelijke centra met dogmatisch gezag. Zowel Alexandrië als Antiochië beschikken over beroemde theologische scholen. De Kerk met haar staf van medewerkers wordt institutie en internationale organsatie, haar behoud en haar vloek.
Zij strekt zich na drie eeuwen uit over heel de lengte-as van het Romeinse rijk, een macht en een uitdaging van de eerste orde, waarmee de staat rekening zal moeten houden en ook houdt. Maar de oorspronkelijke gemeente is dan te gronde gegaan; ‘de massa verstomde, de theologen voerden het woord. Zij die zich nu nog verheffen als pleitbezorgers van het apostolische geloofsgetuigenis en de broederschap van de eerste tijden, kunnen dat enkel doen in de vorm van ketterij...
De priemitieve weldadigheid, het aandoenlijk overblijfsel uit de armoeperiode, moet het veld ruimen voor een diaconaat me bezitingen aan land, gebouwen en aardse goederen. Priester, leidsman van een goedgezegende gemeente te zijn , brengt stoffelijke, niet meer versmade voordelen mee. Het is op dit punt dat de schelmerij van vele indringeres en gelukszoekers onder de christenen plaatsvindt.
Boven de veelheid aan gemeenten uitstekend groeien Alexandrië, Antiochië en Rome uit tot uitverkoren christelijke centra met dogmatisch gezag. Zowel Alexandrië als Antiochië beschikken over beroemde theologische scholen. De Kerk met haar staf van medewerkers wordt institutie en internationale organsatie, haar behoud en haar vloek.
Zij strekt zich na drie eeuwen uit over heel de lengte-as van het Romeinse rijk, een macht en een uitdaging van de eerste orde, waarmee de staat rekening zal moeten houden en ook houdt. Maar de oorspronkelijke gemeente is dan te gronde gegaan; ‘de massa verstomde, de theologen voerden het woord. Zij die zich nu nog verheffen als pleitbezorgers van het apostolische geloofsgetuigenis en de broederschap van de eerste tijden, kunnen dat enkel doen in de vorm van ketterij...
Hoe reageerden men op hen?
Het jodendom bespotte de eerste christenen als ‘Nazareners’ en last zelfs een vervloeking tegen hen in bij de synagogale gebeden, wanneer de christenen de verwoesting van Jeruzalem in 70 een rechtvaardige straf van God noemen voor Jezus’ kruisiging en de vorvolging van zijn aanhangers door de joden. Uiteraard beseffen geen van beide partijen hoe hier al een grondslag wordt gelegd voor latere, gewelddadige antisemitisme.
***Bron 11: blz.27-39***
***Bron 11: blz.27-39***
Welke rituelen hadden ze?
Door de doop verplichtte iedere christene er zich toe afstand te doen van het kwaad.
De agape, oorspronkelijk een ‘een liefdemaaltijd’ , door welgestelde broeders aan behoeftigen van de gemeente aangeboden wordt een instelling voor de zondag; de zondag zelf wordt dankdag. Men nuttigt gezamenlijk brood en wijn, al spoedig onder leiding van en voorganger die de spijzen zegent. Het solidariteitskarakter van de maaltijd krijgt daardoor een hogere wijding.
Het dodenmaal wordt ingevoerd: ook daarbij worden arme broeders en zusters om der wille van de nagedachtenis van de overledenen gespijzigd. Zieken en gevangenen krijgen steeds hun aandeel. De liefdadigheid wordt een aangelegenheid warvoor men de zorg aanbijzondere broeders opdraagt.
Het Paasfeest (Passa) komt in zwang in het begin van de tweede eeuw, met Goede Vrijdag en zaterdag in de derde eeuw uitgebreid tot de ‘stille week’.
***Bron 11: blz.27-39***
Hemelvaart en Pinksteren, oorspronkelijk slechts gevierd in de oosterse kerken, worden door het Westen als eigenlijk feest van de Heilige Geest overgenomen.
In het begin van de vierde eeuw neemt Rome de geboorteherdenking van Christus, in het Egyptische christendom sinds vanouds op 6 januari herdacht, over en verlegt de datum ervan naar die van de oude Romeinse Brumalia, de midwinterwende op 25-26 december...
***Bron 11: blz.27-39***
De agape, oorspronkelijk een ‘een liefdemaaltijd’ , door welgestelde broeders aan behoeftigen van de gemeente aangeboden wordt een instelling voor de zondag; de zondag zelf wordt dankdag. Men nuttigt gezamenlijk brood en wijn, al spoedig onder leiding van en voorganger die de spijzen zegent. Het solidariteitskarakter van de maaltijd krijgt daardoor een hogere wijding.
Het dodenmaal wordt ingevoerd: ook daarbij worden arme broeders en zusters om der wille van de nagedachtenis van de overledenen gespijzigd. Zieken en gevangenen krijgen steeds hun aandeel. De liefdadigheid wordt een aangelegenheid warvoor men de zorg aanbijzondere broeders opdraagt.
Het Paasfeest (Passa) komt in zwang in het begin van de tweede eeuw, met Goede Vrijdag en zaterdag in de derde eeuw uitgebreid tot de ‘stille week’.
***Bron 11: blz.27-39***
Hemelvaart en Pinksteren, oorspronkelijk slechts gevierd in de oosterse kerken, worden door het Westen als eigenlijk feest van de Heilige Geest overgenomen.
In het begin van de vierde eeuw neemt Rome de geboorteherdenking van Christus, in het Egyptische christendom sinds vanouds op 6 januari herdacht, over en verlegt de datum ervan naar die van de oude Romeinse Brumalia, de midwinterwende op 25-26 december...
***Bron 11: blz.27-39***
Welke ideeën ze hadden?
Het messianisme van de eerste christenen is onjoods. De godgeworden Jezus is een heiland voor alle volken. In hun van lieverlede onstane geschriften zijn voorspellingen en orakels geworden tot de leer van het reeds onder de mensen verschenen heil. Nog steeds wacht de gemeente op Jezus’ beloofde wederkomst, die zich binnen menselijk afzienbare tijden zal voordoen. Die weder keer eist in het riijk van de Romeinse Antichrist voorbereiding; naast een besef van zonde en schuld reinheid van zeden en geweten, eigen leefregels, een nieuwe moraal van mensen die elkaar broeders en zusters noemen, de moraal van de koinonia, de onderlinge solidarteit, ‘omdat men zichzelf in de ander herkent’.
Als uur en dag van de wederkomst des Heren steeds weer uitgesteld worden, moet men verder strekkende maatregelen nemen: inividuele gemeenteleden verkopen en akker en geven de opbrengst voor naastenhulp. Nog een stap verder en gemeenschap van goederen schijnt gebiedende noodzaak. Met het oog op de verwachting van een aflopende tijd wordt deze vorm van weldadigheid meestal met overgave beoefend.
Op het einde van de eerste eeuw in de Didachè (de ‘Onderwijzing der Apostelen’) wordt de arbeidsijver - lees produktiviteit - van de eennvoudige gemeenteleden aangemoedigd als eervol alternatief voor een al te makkelijke klaploperij op de beurs der gegoeden. Een aanmoediging die er in de oudste gemeente in die vorm niet geweest was, omdat men daar charitas niet had verbonden met het recht op arbeid. En als de wederkomst Christi met verloop van tijd een al meer betwijfelbare zaak wordt en de verbruiksgemeenschap uitslijt, vraagt men de welgestelde broeder, de rijke Alexandrijnse dame of de Romeinse ambtenaar die zich laten dopen, geen ‘communisme’ meer, maar slechts een bijdrage in de koffer van de diaconie... De jaren waarin armoede ‘ein grosser Glanz aus Innen’ betekende waren voorbij.
De leer van Christus stelt de ontrechten vrij van alle intellectuele beslommeringen,van rituelen en ceremonieën die voor de gewone man moeilijk te volgen zijn. De christen hoeft offers noch tienden op te brengen voor tempel en tempelheren.
Voor hem en haar geldt gebod noch verbod, behalve dat van de onderlinge broederschap en hulp-dit laatste vrijwel natuurlijk voortvloeiend uit de hachelijke, half geheime situatie waarin het nieuwe geloof verkeert. Deze solidariteit reikt over partijschap en nationaliteit heen. Het zelfbewustzijn van slaven en knechten in hun nieuwe , ‘vrijgekochte’ staat groeit enverkrijgt al meer aantrekkingskracht.
Dat de vrouwen in de christelijke gemeente en het christelijk huwelijk beter en menswaardig behandeld werden is onweerlegbaar. Tegelijkertijd ie er voor haar, zo min als voor de slaven,, kans op emancipaie. Paulus verkondigde de opvatting dat er in Christo ‘geen man en geen vrouw’ is (Gal. 3:28), het geen bij voor baat aandacht voor de bijzondere problemen van de vrouw uitsluit.
Rijkdom is voor de eerste christenen net als handel en winstbedrijf niet alleen misdadig, maar ook een van God geslagen nutteloosheid. Zelfs de zorg voor eigen vrouw en kroost mag niet prevaleren boven de zorg voor de noodlijdenden in het algemeen. Het is een zedenleer die begrijpelijk wordt als men zich de massamisère in de grote steden van het imperium, alsook de toenemende onteigening van de kleine, weerloze boerenbevolking voorstelt. Een vermaard voorbeeld van oudchristelijke sociale verontwaardiging duikt nog eens op in de brief van jacobus-een van de laatste die in de tweede eeuw als ‘echt’ aan de bijbel werden toegevoegd. Niet alleen worden hier de armen dezer wereld opnieuw voor uitverkoren verklaard, niet alleen worden de rijken ervan beschuldigd het volk ‘te overweldigen’ en de mensen ‘voor de rechterstoelen te trekken’(2:5-6), maaar de bezitters krijgen de raad hun ellendigheid te bewenen; er staat hun niets goedste wachten ( 5:1-3).
... Beroemd is ook de passage over ‘het getal en het beest’, waarin de terreurperiode van keizer Nero tegen de ‘zeven kerken’ wordt voorspeld, maar waaruuit vooral blijkt dat het oerchristendom niet zo apolitiek was als latere auteurs, die van de evangelën voorop, ons willen laten geloven. Er leeft integendeel in de schrijver van de Openbaring, met name wat de keizercultus betreft, een revolutionair sentiment van de eerste orde. De verlossingsgeschieenis wordt voorgedragen als kosmisch drama. Jezus treedt bijj hem aan het licht als Gods gezondene, hemelgestalte zonder voorafgaand aard bestaan of de ‘vernedering in het vlees’. Hij verschiijnt onder allerlei gedaanten, hetzij die van het Lam ‘met zeven hoornen en zevene ogen’, hetzij als de goddelijke logo,s, maar bovenal als leidsman in het grote strafgericht. Dit gericht zal niet slecht het heidense Rome (‘de scharlaken hoer, rijdende op het beest’) en zijn keizer wegvagen, maar ook zijn hele nasleep van koningen, rnegaten, ontuchtbedrijvers, en niet te vergeten rijkaards en roofgierigen. Een droom van geloofsvuur en wraakneming, die niet bepaald wortelt in wat later de eminente christelijke deugden zal worden gerekend: zachtmoedigheid en vergevensgezindheid...
Men is in de wereld, men is tegelijk buiten en tegen haar. Want deze wereld is het slechte en verdorvenen, beeld van de zondeval in reuzenopvang. Alle stervelingen dragen schuld aan haar verdorvenheid; maar de verschijning van de godmens heeft de schuld weggenomen door zichzelf te offeren.
Bij de eerste christenen is het nie geheel duidelijk wat de eschatotlogie, de leer der ‘laatste dingen’, beoogt: loon in het hiernamaals of godsrijk op aarde. Her doet er in deze vroege periode met summier uitgewerkte geloofsvoorstellingen weinig toe; de omekeer in een of ander vorm zal niet op zich laten wachten.
***Bron 11: blz.27-39***
Als uur en dag van de wederkomst des Heren steeds weer uitgesteld worden, moet men verder strekkende maatregelen nemen: inividuele gemeenteleden verkopen en akker en geven de opbrengst voor naastenhulp. Nog een stap verder en gemeenschap van goederen schijnt gebiedende noodzaak. Met het oog op de verwachting van een aflopende tijd wordt deze vorm van weldadigheid meestal met overgave beoefend.
Op het einde van de eerste eeuw in de Didachè (de ‘Onderwijzing der Apostelen’) wordt de arbeidsijver - lees produktiviteit - van de eennvoudige gemeenteleden aangemoedigd als eervol alternatief voor een al te makkelijke klaploperij op de beurs der gegoeden. Een aanmoediging die er in de oudste gemeente in die vorm niet geweest was, omdat men daar charitas niet had verbonden met het recht op arbeid. En als de wederkomst Christi met verloop van tijd een al meer betwijfelbare zaak wordt en de verbruiksgemeenschap uitslijt, vraagt men de welgestelde broeder, de rijke Alexandrijnse dame of de Romeinse ambtenaar die zich laten dopen, geen ‘communisme’ meer, maar slechts een bijdrage in de koffer van de diaconie... De jaren waarin armoede ‘ein grosser Glanz aus Innen’ betekende waren voorbij.
De leer van Christus stelt de ontrechten vrij van alle intellectuele beslommeringen,van rituelen en ceremonieën die voor de gewone man moeilijk te volgen zijn. De christen hoeft offers noch tienden op te brengen voor tempel en tempelheren.
Voor hem en haar geldt gebod noch verbod, behalve dat van de onderlinge broederschap en hulp-dit laatste vrijwel natuurlijk voortvloeiend uit de hachelijke, half geheime situatie waarin het nieuwe geloof verkeert. Deze solidariteit reikt over partijschap en nationaliteit heen. Het zelfbewustzijn van slaven en knechten in hun nieuwe , ‘vrijgekochte’ staat groeit enverkrijgt al meer aantrekkingskracht.
Dat de vrouwen in de christelijke gemeente en het christelijk huwelijk beter en menswaardig behandeld werden is onweerlegbaar. Tegelijkertijd ie er voor haar, zo min als voor de slaven,, kans op emancipaie. Paulus verkondigde de opvatting dat er in Christo ‘geen man en geen vrouw’ is (Gal. 3:28), het geen bij voor baat aandacht voor de bijzondere problemen van de vrouw uitsluit.
Rijkdom is voor de eerste christenen net als handel en winstbedrijf niet alleen misdadig, maar ook een van God geslagen nutteloosheid. Zelfs de zorg voor eigen vrouw en kroost mag niet prevaleren boven de zorg voor de noodlijdenden in het algemeen. Het is een zedenleer die begrijpelijk wordt als men zich de massamisère in de grote steden van het imperium, alsook de toenemende onteigening van de kleine, weerloze boerenbevolking voorstelt. Een vermaard voorbeeld van oudchristelijke sociale verontwaardiging duikt nog eens op in de brief van jacobus-een van de laatste die in de tweede eeuw als ‘echt’ aan de bijbel werden toegevoegd. Niet alleen worden hier de armen dezer wereld opnieuw voor uitverkoren verklaard, niet alleen worden de rijken ervan beschuldigd het volk ‘te overweldigen’ en de mensen ‘voor de rechterstoelen te trekken’(2:5-6), maaar de bezitters krijgen de raad hun ellendigheid te bewenen; er staat hun niets goedste wachten ( 5:1-3).
... Beroemd is ook de passage over ‘het getal en het beest’, waarin de terreurperiode van keizer Nero tegen de ‘zeven kerken’ wordt voorspeld, maar waaruuit vooral blijkt dat het oerchristendom niet zo apolitiek was als latere auteurs, die van de evangelën voorop, ons willen laten geloven. Er leeft integendeel in de schrijver van de Openbaring, met name wat de keizercultus betreft, een revolutionair sentiment van de eerste orde. De verlossingsgeschieenis wordt voorgedragen als kosmisch drama. Jezus treedt bijj hem aan het licht als Gods gezondene, hemelgestalte zonder voorafgaand aard bestaan of de ‘vernedering in het vlees’. Hij verschiijnt onder allerlei gedaanten, hetzij die van het Lam ‘met zeven hoornen en zevene ogen’, hetzij als de goddelijke logo,s, maar bovenal als leidsman in het grote strafgericht. Dit gericht zal niet slecht het heidense Rome (‘de scharlaken hoer, rijdende op het beest’) en zijn keizer wegvagen, maar ook zijn hele nasleep van koningen, rnegaten, ontuchtbedrijvers, en niet te vergeten rijkaards en roofgierigen. Een droom van geloofsvuur en wraakneming, die niet bepaald wortelt in wat later de eminente christelijke deugden zal worden gerekend: zachtmoedigheid en vergevensgezindheid...
Men is in de wereld, men is tegelijk buiten en tegen haar. Want deze wereld is het slechte en verdorvenen, beeld van de zondeval in reuzenopvang. Alle stervelingen dragen schuld aan haar verdorvenheid; maar de verschijning van de godmens heeft de schuld weggenomen door zichzelf te offeren.
Bij de eerste christenen is het nie geheel duidelijk wat de eschatotlogie, de leer der ‘laatste dingen’, beoogt: loon in het hiernamaals of godsrijk op aarde. Her doet er in deze vroege periode met summier uitgewerkte geloofsvoorstellingen weinig toe; de omekeer in een of ander vorm zal niet op zich laten wachten.
***Bron 11: blz.27-39***
Hoe leefden ze?
Ze hielden er in hun ascese, een profetische en sombere levenshouding op na. Hun gemeenschappen omvatte zowel mannen als vrouwen maar ze leefden niet in afzondering en hielden er geen uitvoerig ritueel en schriftuurlijke beschouwelijkheid op na.
Er was nauwelijks enige vorm van organisatie in de oudste christengemeente. Er is wel geestelijke leiding: charismatische voorgangers van de bijeenkomsten, vurig in het geloof, bezield meet de gave van het woord (waarmee Paulus niet overdeeld was ingenomen, geuige de eerste brief aan de Korinthiërs) treden op als apostelen en profeten, respectievelijk profetessen.
In de oudste gemeenten, zeker na deo verwinning van de Paulinische stroming, dit is na de botsing met de joodse christenen van Jeruzalem , waar Simon Petrus en Jacobus, de broer des Heren, de leiding hebben (Hand. 15), wordt de geest al kosmopolitischer. Tot de verwachte wederkomst van de Kytios Christus en de stichting van zijn wereldrijk duldt men dan ook zonder echte revolutiegeest de onrechtmatigheden van Rome als de plagen van de Antichrist. Gelijkheid is er binnen de gemeente; daarbuiten blijft ieder in zijn stand. Paulus’ vermaningen aan de slaven om hun meesters te gehoorzamen vormt straks de grondslag voor de oproep tot aards geduld, tot ljkzaamheid van de verdrukten die een Clemens van Alexandrië of een Tertullianus veerkondigen. Waarschijnlijk juist omdat er mede door de slaven een element in het oude christendom zat van ‘weigering en negatie’, waarin een latent gevaar sluimerde voor de Romeinse staat.
***Bron 11: blz.27-39***
Er was nauwelijks enige vorm van organisatie in de oudste christengemeente. Er is wel geestelijke leiding: charismatische voorgangers van de bijeenkomsten, vurig in het geloof, bezield meet de gave van het woord (waarmee Paulus niet overdeeld was ingenomen, geuige de eerste brief aan de Korinthiërs) treden op als apostelen en profeten, respectievelijk profetessen.
In de oudste gemeenten, zeker na deo verwinning van de Paulinische stroming, dit is na de botsing met de joodse christenen van Jeruzalem , waar Simon Petrus en Jacobus, de broer des Heren, de leiding hebben (Hand. 15), wordt de geest al kosmopolitischer. Tot de verwachte wederkomst van de Kytios Christus en de stichting van zijn wereldrijk duldt men dan ook zonder echte revolutiegeest de onrechtmatigheden van Rome als de plagen van de Antichrist. Gelijkheid is er binnen de gemeente; daarbuiten blijft ieder in zijn stand. Paulus’ vermaningen aan de slaven om hun meesters te gehoorzamen vormt straks de grondslag voor de oproep tot aards geduld, tot ljkzaamheid van de verdrukten die een Clemens van Alexandrië of een Tertullianus veerkondigen. Waarschijnlijk juist omdat er mede door de slaven een element in het oude christendom zat van ‘weigering en negatie’, waarin een latent gevaar sluimerde voor de Romeinse staat.
***Bron 11: blz.27-39***
Hoe zijn de eerste christengemeenschappen onstaan?
In de salons van de patricische dames werd over de Ene God gediscuteerd. Dit alles bereidde de weg voor het christendom. De synagoge werd trefplaats van mensen en ideeën, van maatschappelijke en godsdienstige debatten, van mensen die al predikend kwamen en gingen en het losse netwerk van joodse gemeenten levend hielden. En het Messiasgeloof zat in de diaspora, waar ook de wonderdoener, de toekomstvoorspeller en zondagsprofeet hun broodwinning zochten, niet minder diep dan bij de joden thuis. Ook het leerstuk van uitverkoren volk te zijn gaven de joden in de verstrooiing niet op, maar het kreeg wel kosmopolitische trekken. Er was immers een uitverkiezing denkbaar van minder nationalistische strekkin, een Messias die zich bbehalve voor zijn volk zou offeren voor heel de wereld, om aldus de wet te vervullen.
Het is deze unieke, geestelijke actieve omgeving, altijd bezig met de wijsheid van talmoed en thora, in de diepte beroerd door haar voorstellingen en voorspellingen van een wereldgericht, die het vroegste christendom voor een groot deel heeft opgevangen en verdragen. De losse vertakking van gemeenten diende als band; de beweging van pelgrims, kooplui, predikers, onder wie zich straks de eerste naamloze apostelen van de Nazarener voegden, werd een grondslag van geloofsuitbreiding. De boodschap van heil, de eu-angelia, was daarmee onderweg.
Waar het christendom nu begon? Een punt van oorsprong laar zich binnen de grenzen van de mondeling verbreide godslegende moeilijk bepalen. Eerder mag men spreken van groepen of gemeenten, waarin Jezusdiscipelen gelijktijdig optraden. Hun visie op de grondlegger van hun geloof zal persoonlijk sterk gevarieerd hebben, met de kans dat de eerst geloofsgemeenschappen niet in Palestina, maar op Kleinaziatische bodem binnen de diaspora zijn gevormd. De aanvankelijke verbreiding was niet schitterend geweest; de oudste aanhangers waren onaanzienlijk en oefenden geen invloed.
***Bron 11: blz.27-39***
Het is deze unieke, geestelijke actieve omgeving, altijd bezig met de wijsheid van talmoed en thora, in de diepte beroerd door haar voorstellingen en voorspellingen van een wereldgericht, die het vroegste christendom voor een groot deel heeft opgevangen en verdragen. De losse vertakking van gemeenten diende als band; de beweging van pelgrims, kooplui, predikers, onder wie zich straks de eerste naamloze apostelen van de Nazarener voegden, werd een grondslag van geloofsuitbreiding. De boodschap van heil, de eu-angelia, was daarmee onderweg.
Waar het christendom nu begon? Een punt van oorsprong laar zich binnen de grenzen van de mondeling verbreide godslegende moeilijk bepalen. Eerder mag men spreken van groepen of gemeenten, waarin Jezusdiscipelen gelijktijdig optraden. Hun visie op de grondlegger van hun geloof zal persoonlijk sterk gevarieerd hebben, met de kans dat de eerst geloofsgemeenschappen niet in Palestina, maar op Kleinaziatische bodem binnen de diaspora zijn gevormd. De aanvankelijke verbreiding was niet schitterend geweest; de oudste aanhangers waren onaanzienlijk en oefenden geen invloed.
***Bron 11: blz.27-39***
Abonneren op:
Posts (Atom)